|
Achtergrondartikel "De Hindustaanse
Immigratie"
Na een reis van drie maanden zette de eerste Brits-Indische
immigranten voet aan wal in Suriname, op 5 juni 1873. Zij kwamen
met het zeilschip de 'Lalla Rookh' (letterlijk: Roze wang),
met aan boord 399 mensen. In totaal kwamen er tussen 1873 en
1916 ongeveer 35.000 Hindustanen aan in Suriname, waarvan ongeveer
11.000 na de contractsperiode terugkeerden naar India. Mede
door de valse beloften van de wervers (ronselaars) in India
gingen de Brits-Indiers (Hindustanen) op zoek naar een gouden
toekomst. Ze verlieten huis en haard en vertrokken naar het
beloofde paradijs; Suriname.
Sinds de tweede helft van de 19e eeuw tot 1939 werden ongeveer
74.000 immigranten in Suriname aangevoerd om als arbeiders te
werken op de plantages. Na de afschaffing van de slavernij in
1863 was er namelijk een grote behoefte aan arbeidskrachten.
Het grootste gedeelte van de immigranten kwam als contractarbeider,
met als bedoeling na een tijdelijk verblijf terug te keren naar
het land van herkomst. Ongeveer tweederde van de Brits-Indiërs
of Hindustanen zijn na afloop van hun contract in Suriname gebleven.
Een direct gevolg op korte en lange termijn is geweest, dat
de bevolking van Suriname in aantal toenam en dat die meer dan
voorheen het karakter kreeg van een plurale of multi-culturele
samenleving.
volgende
pagina  |