• Suryamedia1
  • Suryamedia2
  • Suryamedia3

Zijn leven en werk: 150 jaar herdenking Rabindranáth Tagore

Redactie Suryamedia


rabindranath_tagore-Op 7 mei 2011 was het 150 jaar geleden dat de Indiase dichter, filosoof, humanist en kunstenaar Rabindranáth Tagore het levenslicht zag. Om zijn geboorde dag ook in Suriname te herdenken worden verschillende activiteiten ontplooit. In dit artikel maakt u nader kennis met het leven er werk van de Rabindranáth Tagore shrijver van het volkslied van India en Bangladesh, eerste Aziatische Nobelprijswinnaar en schrijver van onnoemlijk veel boeken, toneelstukken en kritische opinie stukken.

Op 7 mei 1861 werd Rabindranáth Tagore (Ravíndranáth Thákur) als de jongste telg in een gezin van 14 kinderen te Calcutta (thans Kolkata), India, geboren in een rijke brahmaanse familie. Zijn vader was Debendranáth Thákur en zijn moeder heette Sáredá Deví. Debendranáth was een maharshi (grote ziener), een geziene figuur en een invloedrijke persoonlijkheid in de Indiase gemeenschap.


Rabindranáth bracht zijn jeugd in zijn geboortestad Calcutta door. Hij kreeg onvoldoende aandacht, had weinig sociaal contact met zijn leeftijdsgenoten en voelde zich daarom enigszins eenzaam. Urenlang tuurde hij vanuit zijn kamer op de eerste etage naar buiten, naar de natuur: de zon, de wolken, de wind, de regen, de bomen en de maan. Hier ontwaakte zijn voorliefde voor de natuur.


Rabindranáth's gevoel voor literatuur ontstond door aandachtig te luisteren naar recitaties van liedjes, gedichten en verhalen van grote dichters en schrijvers van recente en verre verleden over belangwekkende onderwerpen, die hem fascineerden. Hij begon als jongen reeds literaire werken in zijn moedertaal, het Bengálí, te lezen. Ook las hij Engelse gedichten met belangstelling.
Rabindranáth kwam uit een getalenteerde familie. Twee broers en een zus waren ook letterkundigen. Het literaire talent was dus in ruime mate in huis aanwezig.


Op 12-jarige leeftijd ging hij op reis met zijn vader naar de Himálaya-regio in Noord-India en genoot met volle teugen van het natuurschoon, hetgeen resulteerde in de eerste gedichten van zijn hand (1873-1875). Hij bezocht toen voor het eerst het buitenverblijf van de familie, wat later 'Santiniketan' (Huis van vrede) zou heten. Hier schreef hij zijn eerste toneelstuk 'Prithvirájer Parájaya' (De nederlaag van Prithviráj, de laatste hindoekoning, 1873). De aspirant-dichter Rabindranáth stond onder invloed van de lyrische gedichten en devotionele liederen van de Vaishnava-dichters. Zijn gedichten waren muzikaal: zij werden gezongen en later door hem zelf op muziek gezet. Zijn muzikale gedichten voorzag hij in het laatste couplet van de naam 'Bhánu', een synoniem voor Ravi of Rabi (de zon), waarmee zijn voornaam begint.


In 1875 overleed zijn moeder. Zijn tweede broer Satyendranáth, nam hem in september 1878 mee naar Engeland voor de rechtenstudie aan de Universiteit van Londen. Het leslokaal vond hij erger dan een strafcel, zelfs in een vrije omgeving in een vreemd land. Daarom brak hij zijn studie af en keerde in februari 1880 weer terug naar India. Echter kwam hij over zijn verlegenheid heen en zijn zelfvertrouwen nam toe.
In 1881 publiceerde hij zijn eerste muzikale drama 'Válmíki Pratibhá' (Válmíki's schittering), gevolgd door zijn eerste bundel 'Sandhyá-sangít' (Avondliederen, 1882), waarin de opkomende dichter zijn frustraties en teleurstellingen uitte. Maar hij kwam er snel bovenop, hetgeen bleek uit zijn volgende gedichtenbundel 'Prabhát-sangít' (Ochtendliederen, 1883). De zon scheen nu in zijn leven, hij was vrolijk en vreugdevol gestemd. In 1883 huwde Rabindranáth met Mrinaliní Deví. Uit dit huwelijk werden er 5 kinderen geboren: 3 dochters en 2 zonen.


Intussen kwam Rabindranáth tot volle wasdom in de literaire kunst. In zijn gedichten leverde hij kritiek op de leiders en de stedelingen met hun enge visies en zelfvoldaan leven, die de dichter irriteerde, terwijl hij voortdurend streefde naar verlichting en inspiratie, naar hogere doelen en idealen.


Rabindranáth werd als manager van het Tagore's landgoed/plantagebedrijf aangesteld (1891-1897), waar hij voor het eerst het plattelandsleven leerde kennen en in nauw contact kwam met de landbouwers en veldarbeiders, wat een diepe en merkbare invloed op zijn werk had. Vanuit het perspectief van humanisme begon hij korte verhalen te schrijven over het leven, dat tegelijk eenvoudig en pijnlijk, fundamenteel en persoonlijk kan zijn. Hij had een intense liefde voor de aarde en de natuur.


Rabindranáth greep terug naar de oude klassieke werken en de geschiedenis, koos nobele voorbeelden van zelfopoffering en andere helden-episodes en goot die in prozavorm voor het algemeen publiek. Hiermede bepleitte hij zelf-opoffering omwille van de onafhankelijkheid. Rabindranáth bepleitte derhalve eerder voor onderwijs in de moedertaal dan in het Engels (sinds 1853 officieel de instructietaal van Brits-Indië). Hij bekritiseerde de overheersende positie van het Engelse onderwijssysteem in India (in een essay in 1892).


In 1894 werd Rabindranáth gekozen tot Vice-President van de Academie voor Bengaalse Letteren. Hij werd tevens de redacteur van het nieuwe tijdschrift 'Sádhaná' (Mentale vorming) van de Tagore-familie. Om de inlandse producten te promoten en de ondernemingszin onder de Bengaalse jongeren te stimuleren startte hij in 1895 een Swadeshí-winkel in Calcutta en een jutefabriek in Oost-Bengalen.


Rabindranáth verhuisde in 1899 met zijn gezin van Calcutta naar Santiniketan (Plaats van rust), in een bosrijke omgeving, zonder lawaai en zonder drukte. Zijn levensvisie was uitzonderlijk: de mens moet in harmonie leven met de hem omringende natuur, zijn leefstijl en activiteiten waren dienovereenkomstig. In december 1901 begon hij in zijn hermitage een Brahmacarya-school voor kinderen naar het model van de oud-Indische woudschool (zoals te zien in de tv-serie Rámáyana): er wordt les gegeven in de open natuur in de schaduw van de bomen. Voorts gaf hij nieuw leven aan het maandblad 'Bangadarshana' (Bengaalse visie).


De dichter ontwaakte uit zijn rustige contemplatie en doorzag het werkelijke leven en de realiteit om zich heen. Hij voelde de Onzichtbare Kracht, die het leven van de mens en het lot van het universum bepaalt. In zijn boek 'Naivedya' (Offergaven, 1901) spoorde de dichter aan tot onmiddellijke actie, immers de toekomst van het land bonkte aan zijn hart. De achteruitgang van het land, de inactiviteit en de grove dwaling knaagden hem zo zeer. De dichter droomde van een welvarende India als zelfstandige natie.

 

Naast zijn vele successen had Rabindranáth Tagore ook grote tegenslagen te verduren. Enkele gezinsleden kwamen hem te ontvallen: zijn echtgenote Mrinaliní Deví (november 1902), zijn tweede dochter Renuká (12) (1903), zijn vader Debendranáth (88) (1905) en zijn jongste zoon Samindranáth (11) (1907). Ter nagedachtenis aan zijn overleden echtgenote publiceerde hij de gedichtenbundel ‘Smarana' (Herinneringen, 1903).

 

Rabindranáth was zeer verdrietig dat zijn twee jonge kinderen (elf en zes jaar) hun moeder verloren hadden. Echter, dit gaf hem een hernieuwde poëtische inspiratie, hetgeen resulteerde in een publicatie van een collectie kindergedichten: ‘Shíshú' (Het kind, 1903). Hierin beschreef hij de fundamentele gevoelens van de mens: de liefde voor het kind, het tere wezen met al zijn dankbaarheid, vrolijkheid, gedragingen en grilligheden. De gedichten waren bestemd om gelezen te worden, zowel door kinderen en jongeren als door ouderen.

 

Politiek
Maar Rabindranáth pakte de draad weer gauw op. Hij bemoeide zich nu serieus met de politieke problemen van het land en schreef zijn perspectiefvolle essay ‘Swadeshí Samáj' (Onze gemeenschap, 1904). Hij ondersteunde de politiek van non-coöperatie tegen de Britse regering.


De liederen van de mysticus Vaishnavas van Bengalen waren gebaseerd op een levensvisie. Deze liederen gaven aan Rabindranáth's poëzie een nieuwe impuls. Hij werd ouder en de tijd veranderde zijn denken. Derhalve begon hij mystieke gedichten en devotionele liederen te schrijven: ‘Gítánjali' (Een collectie gezangen, 1910), ‘Gítimálya' (Een krans liederen, 1914) en ‘Gítáli' (Muzikale liedjes, 1916). Behalve in zijn moedertaal Bengali, schreef Rabindranáth ook in het Engels. Daarnaast vertaalde hij zelf zijn Bengaalse gedichten en liederen in het Engels, voor communicatie met een breder publiek. Zijn verzamelbundel Gítánjali is daar een voorbeeld van. Rabindranáth was al bekend als dichter, essayist, schrijver, componist, pedagoog en filosoof. Bovendien was hij een reiziger die steeds andere gebieden en landen wilde bezoeken. In mei 1912 reisde hij naar Engeland en liet de Engelse vertaling van zijn Gítánjali aan zijn Britse vriend, de schilder William Rothenstein, zien. Op zijn beurt liet Rothenstein de bloemlezing aan zijn vriend, de dichter W. B. Yeats, zien die er zeer van onder de indruk was.


Nobelprijs
De bloemlezing werd in november 1912 in boekvorm onder de titel ‘Gítánjali' (Song Offerings) gepubliceerd door de India Society of London, met een introductie van de dichter W. B. Yeats. Het werd in Engeland met groot enthousiasme ontvangen. De Britse literator Thomas Sturge Moore beval als lid van de Royal Society of Literature of the United Kingdom op persoonlijke titel Rabindranáth Tagore aan de Zweedse Academie voor de Nobelprijs voor literatuur aan. Rabindranáth had hier geen weet van. R. Tagore's naam werd in 1913 uitverkoren voor de Nobelprijs voor de literatuur uit 28 nominaties "vanwege zijn door-en-door gevoelige, verfrissende en prachtige verzen, waarmee hij met volmaakte vaardigheid zijn poëtische gedachten, uitgedrukt in zijn eigen Engelse woorden, een onderdeel heeft gemaakt van de Westerse literatuur." Rabindranáth Tagore was de eerste Aziaat die de Nobelprijs won. Deze prijs gaf hem meteen de status van ‘werelddichter'. Bovendien was de Nobelprijs van enorme betekenis als een eerste erkenning van India als een gelijkwaardig lid op het gebied van de letterkunde in de vrije en progressieve wereld.


Riddering
Voor zijn verdiensten werd R. Tagore in 1915 geridderd, doch hij deed in 1919 afstand van de ridderorde uit protest tegen het wrede bloedbad tijdens een bijeenkomst van verzetsstrijders in de Jalianwala Bag te Amritsar in april 1919 o.l.v. de Britse brigadier-generaal Reginal Dyer, waarbij er ruim duizend doden en meer dan 1500 gewonden vielen, allen waren onschuldig en ongewapend.
Als wereldreiziger heeft hij vele landen in Azië, Europa en Amerika bezocht, steeds zijn schrijverspen meenemend. Energiek als hij was, zat hij overal te schrijven. Zijn liedjes componeerde hij zelf, bekend als ‘Rabindra Sangit'. Rabindranáth was ook pedagoog, filosoof, criticus, humanist, schilder en nationalist. Zijn ideeën, gedachten en visies over alle mogelijke sociaal-maatschappelijke onderwerpen legde hij in zijn werken vast. Hij hield ook lezingen en toespraken in het buitenland, die verzameld en gepublicieerd zijn. Toen zijn eerste opera-drama ‘Válmíki Pratibhá' (Genius of Válmíki,1881) werd opgevoerd, speelde Rabindranáth zelf de rol van Válmíki. Verschillende toneelstukken van hem werden opgevoerd.


Volkslied
Rabindranáth's lied ‘Jana gana mana' werd voor het eerst in 1911 in Calcutta gezongen. Bij de onafhankelijkheid van India (1947) werd dit lied tot nationaal volkslied verheven. Een ander lied van deze zelfde dichter, getiteld ‘Shonar Bangla' werd het volkslied van de nieuwe staat Bangladesh (1971). Rabindranáth was een belezen, veelzijdig ontwikkeld en getalenteerde persoon. Zijn school (taal, literatuur, zang, dans, muziek, drama, schilderkunst) te Santiniketan verwierf alom bekendheid. Ook stichtte hij in 1918 een werelduniversiteit ‘Vishva Bháratí', die vele binnen- en buitenlandse studenten opleidde en internationale faam verwierf.


Kunst
Op latere leeftijd (in 1928) begon R. Tagore te schilderen. In de periode 1930-1938 hield hij solotentoonstellingen van zijn schilderijen in binnen- en buitenland (Frankrijk, Engeland, Duitsland, Zwitserland en USA). Te Santiniketan richtte hij een studiezaal in voor Chinese studies, de ‘China Bhavana'. Van de Oxford University in Engeland kreeg R. Tagore in 1940 een eredoctoraat. R. Tagore's laatste pennenvrucht was ‘Crisis in Civilisation', geschreven toen de Tweede Wereldoorlog aan de gang was, dat werd voorgelezen op zijn 80ste verjaardag te Santiniketan.


R. Tagore's denkbeelden waren modern en progressief. Hij ontwikkelde/ creëerde nieuwe stijlen en gezichtspunten in alle vormen van de literatuur en presenteerde die bijzondere visies, zowel naar de inhoud als naar de vorm, met schoonheid, fijn taalgebruik en diepe gevoelens aan zijn enthousiaste lezers, en verdiende waarlijk de benaming ‘Vákpati' (Lord of Speech). Rabindranáth was een internationalist, een trouwe gelovige in de eenheid van de mensheid en een onvermoeibare werker voor integratie van zijn vaderland in de gehele wereld, indachtig de universele waarde van India's leven en filosofie.


De Engelse versie van de Gítánjali, inhoudende 103 gedichten, is door Frederik van Eeden in het Nederlands vertaald. Na een lang, dynamisch, enerverend, energiek en creatief leven overleed de dichter, schrijver, essayist, pedagoog, dramaturg, musicus, filosoof, schilder, humanist en wereldburger Rabindranáth Tagore, die onnoemelijk veel literaire werken op zijn naam heeft staan, op 7 augustus 1941, op 80-jarige leeftijd te Calcutta, een rijk en gevarieerd nalatenschap achterlatend.


door
Naraindat Gangaram Panday ©
Suriname

 

Foto:

90px-cc_some_rights_reserved.svg

 

Copyright © Suryamedia. Alle rechten voorbehouden.

Zoek